Wat is een vaccin? 

Een vaccin is een hulpmiddel dat de dieren helpt om hen te beschermen tegen bepaalde virussen en bacteriën die anders zeer zware tot dodelijke gevolgen hebben. Het vaccin is opgebouwd uit onschadelijke deeltjes van het betreffende virus of bacterie.  

Hoe werkt nu zo’n vaccin? 

Door het toedienen van het vaccin komen de onschadelijke deeltjes van het virus of bacterie in het lichaam.  Het lichaam gaat hier tegen antilichamen maken en zal in een later stadium het betreffende virus of bacterie herkennen en neutraliseren.  Na het eerste vaccin, een primovaccin,  heeft uw kat een tweede vaccin, een boostervaccin, nodig om genoeg antilichamen aan te maken.  Eens gevaccineerd moet je jaarlijks een herhaling toepassen om de antilichamen actief te maken.  Met de vaccinaties beschermt je je kat tegen extreem besmettelijke en dodelijke ziekten.  Vaccineren is dus een must om uw dier te beschermen en onnodige medicatiekosten te vermijden.
Er zijn drie soorten vaccins voor de kat: de multivalente vaccins (gebruikt voor primovaccinatie van kittens en voor revaccinatie van volwassen honden) die een ruime bescherming tegen de verschillende ziekten bieden. De mono- of bivalente vaccins die vooral beschermen tegen leukose en tenslotte de rabiësvaccins (meestal geïnactiveerde monovalente vaccins).

Waar tegen vaccineren? 

1. Kattenziekte of panleukopenie 

Dit dodelijke virus behoort tot de meest kwaadaardige.  Het is een taai virus, dat een jaar lang kan blijven leven en resistent is tegen de meeste desinfecterende middelen.  Het virus wordt direct of indirect overgebracht, in vele gevallen door de uitwerpselen.  De ziekte is zeer besmettelijk en in de meeste gevallen dodelijk.  Vooral jonge katten zijn vatbaar.  De symptomen zijn koorts, lusteloosheid en gebrek aan eetlust, vervolgens braken, diarree en uitdrogingsverschijnselen.  De kat gaat boven de waterbak hangen, neemt een pijnlijke ineengedoken houding in en stort uiteindelijk in. Het virus valt alle snel delende cellen aan vooral in de darmen en hersenen, maar ook de witte bloedcellen of leukocyten, vandaar de namen enteritis en panleukopenie.  Meestal treedt sterfte op.  Slechts zelden kan er in een vroeg stadium nog iets aan de ziekte gedaan worden middels goede en zeer intensieve verzorging.

2. Kattengriep of kattenniesziekte 

Diverse micro-organismen kunnen de neus en keel van de kat besmetten, de belangrijkste zijn echter virussen zoals het rhinotracheitis- en het calicivirus. Deze soorten veroorzaken de bekende kattenniesziekte.  Het zijn buiten het lichaam kort levende virussen, zodat besmetting vaak direct plaatsvindt via contact of via luchtdeeltjes.  De ziekte is zeer besmettelijk.  De virussen beschadigen het slijmvlies van de neuswegen en luchtpijp.  Het ontstaan van etter door bijkomende bacteriële infecties en secreties uit ogen en neus is kenmerkend. Het ontstaan van zweren op de tong en in de mond, koorts en apathie voor eten zijn kenmerkend voor het calicivirus. De ziekte kan overgaan in longontsteking, wat weer fataal kan zijn.  Mits goede zorgen en een aangepaste antibioticatherapie kan de kat overleven en de infectie onder controle krijgen, maar 90% van de aangetaste katten blijven drager van het virus en zijn dus besmettelijk voor andere katten.

3. Leukose of infectieuze leukemie (FeLV)

Een ernstige virusziekte bij katten.  Het is het meest voorkomende virus bij katten en veroorzaakt anemie (bloedarmoede), leukemie (witte bloedcelziekte) en uiteindelijk kanker, vooral in de lymfeklieren.  Als de symptomen zich manifesteren verloopt de ziekte meestal fataal.  Een besmette kat kan pas na weken tot maanden ziek worden, maar ondertussen blijft de kat het virus uitscheiden.
Het virus verspreidt zich via speeksel, uitwerpselen of urine.  Ook kittens kunnen al voor de geboorte besmet worden door de moeder.  Buiten het lichaam leeft het virus niet lang en is met desinfecterende middelen goed te bestrijden.  De belangrijkste vorm van besmetting is echter door bijten.  Katten die veel buiten lopen en regelmatig in contact komen met wilde katten lopen dus extra veel risico.  Tegen besmetting met het leukosevirus werkt vaccinatie het meest effectief.

Vaccinatieschema:

9 weken: katten- en kattenniesziekte

12 weken: katten-, kattenniesziekte en leukose

16 weken: leukose

VANAF DAN JAARLIJKSE HERHALING